073. T’roemah = Hartsgave 17 Sivan 5777 (10 juni 2017)

Tora: Exodus 25Psalm: 61

Koning: 1 Kronieken 28:11-29:9

Evangelie: Mattheüs 6:1-18

Profeet: Ezechiël 20:40-49

Brief: Romeinen 4:1-12

Thema dat de passages verbindt
Vrijwillige gaven worden door God aanvaard om Zijn Huis samen met ons te bouwen als veilig Thuis. (T. 25:8, Ps. 61:5, Kon. 29:3, Prof. 20:40, Ev. 6:1, Br. 4:5)

Targoem voor de sjabbat (Ex. 25:1-11)
JHWH spreekt met Mozes als hij veertig dagen op de berg verblijft, en zegt: “Spreek met Israël over het geven van het beste wat ze hebben. Van elke man die spontaan geven wil, zul jij een gift ontvangen. De gaven die je van hen krijgen zult zijn kostbaar, denk aan goud, zilver en brons. De mooiste kleuren, hemelsblauw, purper en dieprood. En ook linnen stoffen en geitenvellen, rode ramsvellen en dassenhuiden en acaciahout. En dan ook lampenolie en kruiden om zalfolie te bereiden en zoete geurige kruiden voor wierook. Sardonyx stenen en allerlei stenen die bevestigd kunnen worden aan de efod (het verrijkte opperkleed) en de borstplaat die de hogepriester dragen zal. Al deze gaven zullen bijdragen aan de bouw van de Misjkan, een heilige Woning voor Mij. Het zal zo zijn dat ik in het midden van Israël wonen zal. Hier boven op de berg zal Ik je het model tonen van de Misjkan. Precies zoals je hier zult zien hoe Mijn Woning eruit ziet, zal het gemaakt worden. Ook alle huisraad zal Ik je laten zien. Kijk hier is de ark, een kist van acaciahout, met goud overtrokken. Tweeënhalf el lang en anderhalve el breed en ook anderhalve el hoog. Maar kijk, niet alleen de buitenkant is met goud overtrokken, ook heel de binnenkant heeft een gouden laag. En let ook op de sierlijke rand van het puurste goud, die als een kroonlijst aan de kist zit.

Op de bergtop
Na de maaltijd met de 74 nobelen van Israël, wordt Mozes geroepen. Hij gaat de berg verder op vanaf de plaats waar zij gegeten hadden. Jozua gaat met hem mee. De wolk op de berg komt in beweging. Bij de viering van de maaltijd was er een opening in die wolk geweest. Nu trekt de wolk zich weer terug naar de bergtop. Gods heerlijkheid in de wolk is als een grimmig en verterend vuur voor hen die aan de voet van de berg staan. Jozua blijft achter als Mozes de wolk ingaat en daar geconfronteerd wordt met het vuur. Hij weet dat hij niet verteerd zal worden, zoals het doornbos hem onderwezen had. Wel wordt hij zo aangeraakt dat hij voor zeven dagen geen woord weet uit te brengen en geen vin weet te verroeren. Want hoewel het vuur niet verteert, beroofd het een mens van al zijn streven volgens de oude natuur (de slaaf in Egypte). De troonzaal in Gods Woning is níet een plaats van het slaafse onderworpen zijn aan God. Zo lijkt het van buitenaf gezien misschien wel, want het vuur van God ziet er uit als een verterend vuur waarin geen mens kan leven. Maar juist in dat vuur roept God tot de mens (Mozes in dit geval) dat hij leeft en wandelen kan (24:16 en 18). Mozes heeft zélf de kracht om op te staan en verder te klimmen naar de top van de berg. Op de zevende dag, moedigt God hem aan: “Kom verder!” Dan klimt Mozes, als een nieuwe schepping, het laatste stuk naar de top waar hij in veertig dagen en nachten de woning van JHWH te zien krijgt. Heel plotseling krijgen we een overvloed aan informatie hierover. Het is alsof JHWH al te lang moest wachten, en het eindelijk zover is. Met een heilige ijver laat Hij Mozes het één na het ander zien. Waarom de Woning van JHWH? En waarom begint Hij met het noemen van de efod en de borstplaat die de hogepriester dragen zal?

Een Woning
voor JHWH Op dit moment zou je misschien iets heel anders verwachten dan een omschrijving van JHWH's Woning. Volgens veel mensen krijgt Israël te maken met een God die hen vooral wil leren wat wel en niet zondig is. Als dat zo is, dan zou je nu zeker verwachten dat God tot in detail zou gaan vertellen hoe Israël zou moeten leven nu ze aan Hem geïntroduceerd zijn. Ze hebben immers beloofd om te wandelen volgens Zijn bepalingen en zowel God als Israël hebben bevestigd dat zij elkaar toebehoren als bruid en Bruidegom. Maar Hij is wel God! Dus voor de achteloze lezer komt nu het moment dat Hij gaat vertellen van de dagelijkse stille tijd, aanbiddingsdiensten, bijbelstudies en allerlei voorschriften over het dagelijks functioneren, dat zo heilig mogelijk gepraktiseerd moet worden. Maar niets van dat alles! Precies zoals wij ook zouden doen als we nieuwe vrienden thuis uitnodigen, geeft God een rondleiding in Zijn Woning. En dat wil Hij ook aan heel Israël geven, zonder enige verplichting. Dus Hij laat zien hoe Hij, op basis van de uitgesproken eenheid tussen Hem en de Israëlieten, temidden van Israël wil gaan wonen in een kopie van Zijn hemelse Woning.

Vrijwillige gaven
Voor de Woning, de Misjkan, zijn natuurlijk materialen nodig. Maar hier wordt geen verplichting opgelegd, of opoffering gevraagd, maar een terumah. Nu kan een terumah alleen maar gegeven worden van het beste wat je hebt, maar niet anders dan vrijwillig. Het is een gave uit je hart. Dat wat elke man (en zijn gezin) voor zichzelf bedacht had te willen geven van het mooiste en beste wat hij heeft, dat is de gave die gevraagd wordt. En daarmee kan een Woning voor God gerealiseerd worden. Het heeft geen zin om hier verplichte gaven, van welke grootte dan ook, voor te schrijven. Want als Israël wil dat God bij hen woont, is dat een vrijwillige zaak! En zo geldt dat vandaag nog steeds. De Messias en zijn volgelingen wilden een tempel bouwen van levende stenen. Een collectieve eenheid van mensen die een volk van God vormen, niet omdat zij verplicht zijn tot allerlei regeltjes en wetten, maar omdat zij één zijn in het zoeken naar God en Zijn verblijf onder hen. Ook nu kan een dergelijke eenheid van broeders en zusters, waar God tussen wonen wil, slechts gebouwd worden uit spontane harten die bereid zijn om te geven van het beste wat ze hebben. Er is geen principe, formule of stappenplan om voor elkaar te krijgen dat God bij ons komt wonen. We kunnen daarvoor geen wet volgen, zelfverloochenend leven leiden of 'de enige waarheid belijden’. Om God te zien is alleen de bereidheid van hart om te geven nodig. Samen te bouwen aan Zijn Woning is de weg naar gemeenschap met God.

Het uiterlijk van de hogepriester
Nu begint JHWH met het omschrijven van Zijn Woning. Opnieuw zou men kunnen verwachten dat God gaat laten zien hoe moeilijk het is voor ons mensen om bij Hem thuis te zijn. Hij zal wel eerst van de voorhof vertellen en het brandofferaltaar. Verder dan dat komen mensen toch niet, ze zijn zo zondig! Maar weer kijkt God niet naar wat voor ogen is. Ja, mensen wijken makkelijk af, dat blijkt ook onder aan de berg, waar ze Mozes inmiddels beginnen te missen en het hart langzaam maar zeker losraakt van JHWH, zoekend naar een alternatief. Maar God kijkt daar nu niet naar. Het eerste wat Gód ziet, is de mens die spontaan geeft (vs. 2), die Zijn Woning bouwt (vs. 8) en die binnenkomen mag in het heilige der heilige (vs. 7), de meest intieme plaats in Zijn Woning. Die mens draagt een blauw met goud verrijkt bovenkleed (de efod) en een gouden borstplaat. Beiden bedekt met edelstenen en goud. Dat goud en de sardonyx, die met name genoemd wordt, komen allebei voor in de Tuin van Eden (Gen. 2:11, 12), waar deze dingen zomaar voorhanden waren. De hogepriester weerspiegelt dan ook de mens die hersteld is in de Tuin van Eden. Zó wil God de mens zien! Hersteld in de Tuin van Eden in gemeenschap met Hem! Want dát is de bedoeling van Zijn Woning, gemeenschap met de mens die Hij zo innig liefheeft.

Mozes als hogepriester
Zo is Mozes ook op de top van de berg gekomen. Wandelend in zijn nieuwe identiteit, zich bewust van het feit dat hij onderweg is naar een verterend vuur. Doordat hij vooruitzag op de opgestane Messias, wandelde hij in het (voor hem) toekomstige sterven en opstaan van Jesjoea. Dat zagen we aan Jozua, de dienaar van Mozes, die hem begeleidde naar het binnenste van Gods Woning op de top van de berg. Precies zoals Jozua, wil de Messias Jesjoea de mens brengen naar de intiemste plaats bij JHWH. Mozes op de top van de berg, is waardig om bekleed te worden met deze kledingstukken die de Tuin van Eden weerspiegelen. Zo krijgt de hogepriester later de taak om, precies zoals Mozes naar de top van de berg klom door de dienst van Jozua, die tocht te ondernemen naar het heilige der heiligen, de Troonzaal in de Misjkan en zo het volk bij God te brengen.

Vragen
1. Tora: Waarom geeft God een rondleiding in Zijn Huis aan Mozes? Waarom laat Hij eerst de ark, de tafel en de menorah zien?
2. Ps: Welke rots is te hoog voor David (vs. 3)?
3. Kon: David spreekt over een geschrift in vs. 19, Exodus. Wat is voor David de belangrijkste les die hij uit Exodus haalt?
4. Prof: Welke aangename geur kunnen wij verspreiden als we optrekken uit de volken (vs. 41)? Welk vuur ziet Ezechiël (vs. 47)?
5. Ev: Welk loon spreekt Jesjoea over in vers 1-4, dat in het openbaar zal worden vergolden?
6. Br: Ook de brief gaat over ‘loon’, omdat velen uit zijn op profijt. Hoe kan dat doorbroken worden? Welke ‘genade’ word je dan gegeven?